Je weet pas dat je iets niet kunt, als je het hebt geprobeerd.
Ik heb jarenlang geschreven zonder schrijver te zijn. Althans, zo voelde het. Vertalen, ondertitelen, verhalen in de la; allemaal woordenwerk, maar nooit met mijn naam erop. Tot ik op een dag een verhaal aan mijn moeder gaf. Ze was enthousiast. Natuurlijk was ze dat, moeders zijn professioneel enthousiast. Maar toch.
Als fan van de Britse serie Midsomer Murders riep ik al een tijdje dat ik best ook zoiets kon schrijven. Niet uit arrogantie, eerder uit enthousiasme. Hoe moeilijk kon het zijn? (Antwoord: best moeilijk.) Maar ik besloot het gewoon te doen; zonder plan, zonder uitgever, zonder verwachtingen. Gewoon schrijven.
Ik vond een goede redacteur, en toen zij halverwege zei: ‘Ik ben benieuwd hoe je al deze losse eindjes aan elkaar gaat verbinden,’ dacht ik: Ik ook… Het is me gelukt, maar het was even worstelen.
Na een aantal maanden lag deel één klaar: Rancune. Ik schreef zoals ik praat, zoals ik denk. En toen het af was, wandelde ik naar Primera Halsteren en vroeg of ze het wilden verkopen. Ze zeiden ja. En toen gebeurde er iets geks: het boek liep als een trein. Ik bleef dozen aandragen alsof ik stiekem een groothandel was begonnen.
