Soms is het alleen maar een gedachte

Wandelen is mijn schrijfhack, zo heb je misschien al gelezen in een eerder blog. Niet alleen om een knoop te ontwarren waar ik in terecht ben gekomen in mijn verhaal, maar ook om nieuwe ideeën op te doen.

Soms loop ik langs een bushalte, of een omheind veld, een raam op de eerste verdieping waar ’s avonds altijd licht brandt, of een huis dat vervallen lijkt maar toch bewoond wordt… er is veel te zien als je maar kijkt. En dan denk ik: daar zou een scène kunnen beginnen.

Ik schrijf het lang niet altijd op. Want soms komt zo’n gedachte op en verdwijnt dan ook weer naar de achtergrond, om op een heel ander moment weer boven te komen. En soms blijft dat plaatje weg, maar het gevoel dat ik erbij kreeg blijkt dan wonderwel te passen bij een scène van het verhaal dat ik aan het schrijven ben.

Sinds ik crimeverhalen schrijf, krijg ik geregeld de vraag: ‘Komt dat nog in een boek?’ Ik begrijp die vraag. Maar het antwoord is meestal nee. Het kan best een goed idee zijn, maar ik geef mezelf de ruimte om niet altijd iets met een idee te doen.

Schrijven is voor mij geen oogstproces waarbij alles wat ik zie, gelezen of gehoord heb, meteen een bestemming nodig heeft. Ik bedenk dingen, kauw erop en schuif ze soms aan de kant. Soms bekijk ik ze weken of maanden later nog eens, en soms komt het tussen de regels weer naar boven.

Moord op de Brabantse Wal ontstaat ook zo. Ik heb wel een mapje met ideeën, maar geen notitieapp op mijn telefoon of notitieblokje dat ik te pas en te onpas tevoorschijn haal om iets te noteren. Ik vergat het vaak te noteren of vergat in mijn notities te kijken als ik iets nodig had. Het werkte gewoon niet voor mij. Dus laat ik de gedachten gewoon komen en ook weer verdwijnen. Ergens in een hoekje van mijn brein staat een enorme kist waarin ik alles in mik en waar soms spontaan iets uit komt. En als het daarin blijft liggen, ook prima. Het mag daar lekker liggen sudderen tot het gewikt en gewogen is en het toch niet bruikbaar blijkt te zijn.

Ik vergelijk het vaak met klusmannen die allerlei stukjes hout bewaren ‘voor het geval dat’. Meestal liggen die latjes er jarenlang, en meestal komen ze alleen van hun plek als er naar iets anders wordt gezocht. Tot dat ene magische moment, dat dat oude eindje hout ergens perfect blijkt te passen. Gebeurt zelden, maar je mag blijven hopen 🙂

Misschien blijf ik dus gewoon kijken naar dat verlichte raam of dat vervallen huis, zonder te hoeven weten wie daar woont. En misschien komt er ooit een verhaal. Maar dat zie ik dan wel.